Advies: Voordelig gratis wonen in pand van de vennootschap

Fiscaal Advies door Marc De Munter (Bakertilly)

Niet zelden komt het voor dat de bestuurder/zaakvoerder van een vennootschap gratis woont in een pand dat eigendom is van zijn vennootschap. De manier waarop in dat geval het belastbaar voordeel van alle aard wordt berekend, blijkt nu strijdig te zijn met onze grondwet. Wanneer een bedrijfsleider gratis een woonst ter beschikking gesteld krijgt van zijn vennootschap dient hij of zij inkomstenbelasting (en sociale bijdragen) te betalen op een zogenaamd voordeel van alle aard. De wetgever heeft het aan de koning (d.i. de regering) overgelaten om regels vast te stellen om de omvang van dit voordeel te ramen.
Wat het voordeel van bewoning betreft, werden deze regels vastgelegd in artikel 18, §3, 2 KB/WIB 1992. Dit voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen (of “KI”) van een ongemeubelde woning. Indien echter de terbeschikkingstelling gebeurt door een rechtspersoon, bijvoorbeeld door een vennootschap, wordt het forfaitair voordeel nog verder vermenigvuldigd met een coëfficiënt die 1,25 dan wel 3,8 bedraagt. Afhankelijk of het niet-geïndexeerd KI 745 EUR of minder bedraagt (x 1,25), dan wel dit bedrag overstijgt (x 3,80). Tot en met het aanslagjaar 2012 bedroeg de hogere coëfficiënt maar 2, maar vanaf aanslagjaar 2013 werd deze opgetrokken naar 3,8. Als gevolg komt in een aantal gevallen het forfaitair vastgesteld voordeel in feite hoger uit dan de reële huurwaarde van het betrokken onroerend goed.

Het is dit onderscheid in de hoedanigheid van de partij die het onroerend goed ter beschikking stelt dat voor discussie en rechtspraak heeft gezorgd.

Fiscale behandeling

Recentelijk werd zowel het Hof van Beroep van Gent als van Antwerpen de vraag gesteld of de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor gratis bewoning, zoals vastgesteld voor een terbeschikkingstelling door een rechtspersoon, geen schending uitmaakt van het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Belastingplichtigen die zich in een gelijke toestand bevinden, moeten namelijk op dezelfde wijze worden belast.

Een verschillende fiscale behandeling is enkel mogelijk voor zover voor dat verschil een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Die moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingevoerde fiscale regeling en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Beide hoven kwamen tot het besluit dat dit onderscheid niet objectief en redelijk verantwoord is. Bovenstaande rechtspraak is natuurlijk goed nieuws voor de belastingplichtigen die nu belast worden op een voordeel van alle aard inzake bewoning. In de mate dat de bezwaartermijn van 6 maand na verzending van het laatste aanslagbiljet in de personenbelasting nog niet is verstreken, kunnen ze er belang bij hebben om tegen de belasting op het verhoogd voordeel in bezwaar te gaan en terugbetaling te vragen van dit deel van de personenbelasting.

Verder lijkt het aangewezen dat voor de toekomst (inkomstenjaar 2017 en volgende) het voordeel op de fiche 281.10 (werknemer) of 281.20 (bedrijfsleider) niet langer rekening houdt met voornoemde coëfficiënten en dat bij de aangifte in de personenbelasting hiermee rekening wordt gehouden.

Besluit

Zolang de regering niet tot een wetgevende oplossing komt en het Hof van Cassatie de betrokken arresten niet vernietigt, hebben belastingplichtigen er alle belang bij om in de waardering van het belastbaar voordeel van bewoning toegekend door een vennootschap niet langer rekening te houden met de coëfficiënten van 1,25 of 3,8. Ze hebben hiervoor de Belgische Grondwet achter zich.

Dit advies verscheen in Vrij Ondernemen.

Gratis wonen